Margriet Hommes (ActiZ): ‘Benut de vrije ruimte die het Kwaliteitskader biedt’

Het Kwaliteitskader verpleeghuiszorg biedt in die zin een verplichting dat verpleeghuizen verbeterplannen moeten opstellen en bespreken met de zorgkantoren. Maar het biedt ook vrijheden, stelt Margriet Hommes. En ze raadt aan om die goed te benutten om de zorg voor de cliënt echt beter te maken.

Het programma Waardigheid en trots heeft in de deelnemende verpleeghuizen voor een grote vernieuwingsdrang gezorgd. Heeft die sinds die tijd doorgezet? Margriet Hommes (bestuurder van Zorgroep Groningen en tot 1 januari 2018 bestuurslid van ActiZ) vindt zeker van wel. ‘Mijn indruk is dat dat wat met Waardigheid en trots in gang is gezet zich heeft geconsolideerd’, zegt ze. ‘Het Kwaliteitskader verpleeghuiszorg heeft dit een boost gegeven. Het werken aan kwaliteit gebeurt nu ook sectorbreed. Ik heb de indruk dat er eerst nog wel achterblijvers waren die niet zo in de schijnwerpers stonden. Nu met het Kwaliteitskader moet je laten zien wat voor verbeterplannen je hebt en hoe je de zorg voor de cliënt steeds beter wilt maken. Bij het VWS-programma Waardigheid en trots had een verpleeghuis nog de keuze om wel of niet mee te doen, maar met het Kwaliteitskader kom je er echt niet meer onderuit een verbeterplan te maken en een lerend netwerk te vormen.’

Ruimte om te leren

De verschillen zijn nog groot, stelt Hommes. ‘We zien gedegen uitgewerkte verbeterplannen, maar ook A4’tjes’, zegt ze. ‘En we zien netwerken op bestuursniveau of juist op medewerkersniveau, maar ook juist verpleeghuizen die medewerkers bij elkaar in de keuken laten kijken. Maar de kern is dát wordt geleerd, en het is natuurlijk helemaal mooi als ruimte bestaat om te leren van best practices, als er geen angst is om te delen. Die is ook niet nodig, die andere partij geeft toch altijd zijn eigen invulling aan iets dat hij van je leert.’

Toch is aanvankelijk wel terughoudend en soms zelfs afwijzend gereageerd op het Kwaliteitskader, erkent Hommes. ‘Sommige mensen konden bijna niet geloven dat veel onderdelen vormvrij zijn’, legt ze uit. ‘En dat snap ik ook wel, want nog maar een jaar eerder hadden we als sector juist het gevoel dat we heel erg afgerekend werden, bijvoorbeeld met de zwarte lijst van de Inspectie. Maar het mooie van het Kwaliteitskader is ook dat die van de Inspectie vereist dat ze op een heel andere manier gaat toezien, een manier die aansluit op de ruimte voor eigen invulling die het Kwaliteitskader de sector biedt. Het nieuwe toezichtkader van de Inspectie heeft de sector vertrouwen gegeven, omdat het gericht is op het voeren van de dialoog en suggesties bieden voor kwaliteitsverbetering.’

Ruimte nemen

Hommes stelt dat het nog wat vroeg is om al te kunnen stellen in hoeverre het Kwaliteitskader echt sturing biedt aan de concrete ontwikkeling van het kwaliteitsbeleid. ‘Maar het helpt wel’, zegt ze. ‘Het feit dat je een kwaliteitsplan moet maken en bespreken met het zorgkantoor brengt zeker wat op gang. Organisaties die dit niet kunnen, hebben toch echt wel een probleem.’

De ruimte en vormvrijheid die het Kwaliteitskader biedt, is echt iets anders dan vinklijstjes afwerken op basis waarvan een ranking kan worden gemaakt, stelt Hommes. ‘Die ruimte sluit ook aan op het besef dat de vraag of de zorg wel of niet goed is, wordt bepaald in de directe relatie tussen de professional en de cliënt. Het is dan ook belangrijk om die ruimte te nemen die het Kwaliteitskader biedt. Bijvoorbeeld met betrekking tot de opmerking erin dat professionals – zoals verpleegkundigen of specialisten ouderengeneeskunde – moeten participeren in het bestuur van de organisatie, om de kwaliteit van zorg hoog in de organisatie te borgen. Dat is nog geen garantie voor die kwaliteit op het niveau van de professional en de cliënt. Het is dus goed om hier genuanceerd mee om te gaan. Hetzelfde geldt voor die opmerking dat een verpleeghuis het aantal ziekenhuisopnamen in kaart moet brengen. Veel relevanter is het op tijd met cliënt en familie het gesprek aan te gaan over het levenseinde.’

Extra middelen

De extra middelen die nu zijn vrijgemaakt voor verpleeghuizen, worden primair ingezet voor extra handen aan het bed, voor scholing en voor ict, domotica en robotica die het werk op de werkvloer ondersteunen. ‘Robotica kun je echter niet zomaar toepassen’, nuanceert Hommes hierbij, ‘je moet daar echt wel een visie op hebben. Het moet geïntegreerd zijn in de zorg die je verleent.’

De personeelsproblematiek vereist van de sector out-of-the-box denken, stelt Hommes. ‘Het is terecht dat de arbeidsmarktagenda voor de zorg heel goed naar de regio kijkt’, zegt ze. ‘In Groningen is de problematiek echt anders dan in de Randstad. Het is belangrijk dat scholen weten wat er op de werkvloer gebeurt en dat afspraken worden gemaakt over stageplaatsen. Samenwerking op dit gebied was er al, maar die wordt nu geïntensiveerd. Ook wordt nu goed gekeken naar modulegewijs onderwijs voor zij-instromers.’

Wat de sector nu vooral even nodig heeft, stelt Hommes afsluitend, is met rust gelaten worden. De politiek komt nu met een streng “Als het geld niet naar personeel gaat vorderen we het weer terug” en dat is niet de houding die we op dit moment nodig hebben’, zegt ze. ‘Vorig jaar zijn op veel plaatsen in de sector negatieve resultaten geboekt. De eerste tranche van de extra financiële middelen vloeit op sommige plaatsen weg in het dichten van de gaten die zijn ontstaan en dus nog niet in het op een hoger niveau brengen van de formatie. Pas de volgende tranche zal daarvoor ruimte bieden. Je hebt het niet zo snel geregeld.’

Interview door Frank van Wijck

Meer weten


Geplaatst op: 14 maart 2018
Laatst gewijzigd op: 10 september 2018