Wilma van Genderen (Wittenbergzorg): ‘Bij onbegrepen gedrag moet je echt doordringen tot de kern van het probleem’

Net als andere verpleeghuizen, probeert ook Wittenbergzorg onbegrepen gedrag van cliënten zo goed mogelijk te voorkomen of te dempen. In één specifiek geval bleek het raadzaam om gebruik te maken van de specifieke kennis van CCE, dat gespecialiseerd is op dit gebied. De lessen die het hiervan leerde, kunnen ook van belang zijn voor andere verpleeghuizen.

De naam van de bushalte – “Bejaardencentrum” – verwijst nog steeds naar wat Wittenbergzorg vijf jaar geleden nog was: een bejaardenhuis. Inmiddels heeft het de omvorming naar een (klein – 58 bedden – en zelfstandig) verpleeghuis achter de rug. Een omvorming die gefaseerd is vormgegeven, pas vorig jaar is de laatste afdeling omgevormd naar een afdeling kleinschalig wonen met een huiskamer. Wel is al snel de stap gezet om de medewerkers mee te nemen in de vraag: “Wat heeft deze cliënt nodig?”. Die focus vormde de basis om uiteindelijk tot zelforganiserende teams te komen.

Hoezeer nu naar de wens van de individuele cliënt wordt gekeken, ervoer teammanager Wilma van Genderen recent toen ze om half negen ’s ochtends een verzorgende aan een bewoner hoorde vragen wat hij als ontbijt wenste. Toen die zei enorm veel zin te hebben in een biertje, haalde de verzorgende zonder dralen een blikje Amstel Malt uit de koelkast. ‘Ik dacht: yes’, zegt Van Genderen. Hij zat innig tevreden met zijn pet op aan de tafel naar het biertje te kijken. Ik weet niet eens of hij het op heeft, maar hij voelde zich serieus genomen. Die boterham komt dan misschien wel bij de koffie een uur later. We sluiten overal waar dat mogelijk is aan bij wat de cliënten willen. Dat kan ook zwemmen zijn, naar het tuincentrum gaan of een bezoek brengen aan Ikea. Een cliënt vroeg daar: “Zou ik even op dat bed mogen liggen?”, en waarom niet.’

Onbegrepen gedrag

Hoezeer de verandering binnen Wittenbergzorg zich inmiddels heeft voltrokken, blijkt ook uit de manier waarop met onbegrepen gedrag wordt omgegaan. ‘Laat ik het maar eerlijk zeggen’, zegt Van Genderen, ‘vijf jaar geleden boden we dat veelal nog gewoon het hoofd met medicatie. Maar vaak leidde dat niet tot het gewenste resultaat en ook wij zagen bovendien de snel groeiende stroom publicaties over wat gedragsmedicatie doet met mensen. Je kunt veel meer bereiken als je op zoek gaat naar patronen in het leven van de mensen die onbegrepen gedrag vertonen. Weten we bijvoorbeeld dat iemand gedurende zijn werkzame leven boer was en het dus gewend is om vroeg naar bed te gaan en om zes uur op te staan, dan laten we dat zo.’

Een heel specifiek geval was dat van de cliënte die steeds nummers riep: 23.20, 64,50. Van Genderen: ‘Toen we er achter kwamen dat ze vroeger altijd met haar man die fruitteler was naar de veiling ging, konden we daarop inspelen. Niet dat het roepgedrag daarmee helemaal verdween, maar het werd wel beter hanteerbaar. En de verzorgenden konden er ook eens een grapje over maken, wat de sfeer in de woonkamer enorm ten goede kwam.’

Ook aandacht voor de inrichting van de eigen kamer van de cliënt kan een positieve invloed hebben. Van Genderen legt uit: ‘Soms breng je iemand even op zijn eigen kamer om hem tot rust te laten komen. Maar dan moet daar wel wat te beleven zijn, bijvoorbeeld via foto’s op basis waarvan je een gesprek kunt aanknopen. Maar als die foto’s op een plank boven het bed staan en het betreft iemand die de nek niet meer kan buigen, dan werkt het niet. Als die foto’s op ooghoogte staan wel. Hetzelfde geldt als je iemand haren doet, krulspelden inzet bijvoorbeeld. Dat kun je snel even in de badkamer doen. Maar je kunt zo iemand ook in de huiskamer voor de spiegel zetten en de illusie van een kapsalon creëren.’

Gespecialiseerde hulp ingeschakeld

Onbegrepen gedrag voorkomen of dempen zit vaak in zulke kleine dingen. Maar één cliënt bezorgde Wittenbergzorg behoorlijk hoofdbrekens. Het gaat om een nog relatief jonge en lichamelijk sterke man (voor in de zestig) met een bijzondere vorm van dementie. Van Genderen vertelt: ‘Hij had moeite met aanraking en kon een verzorgende bijvoorbeeld pijnlijk bij de pols pakken als hij gedoucht moest worden.  Liep hij over de gang en liep iemand hem naar zijn idee in de weg, dan gaf hij die een duw. En als dat aan andere bewoner is, heb je meteen – terecht – discussie met diens naasten. Het leidde echt tot conflicten.’

Het eerste idee was een ander verpleeghuis voor de man te zoeken, dat meer gespecialiseerde opvang kon bieden. Maar Wittenbergzorg besloot in nauwe samenwerking met familie, arts en psycholoog een andere route in te slaan. Om te beginnen investeerde het in extra bezetting in de avonddienst. Van Genderen: ‘Hierdoor gaven we zowel aan de andere familieleden als aan het team het signaal af dat we hun zorgen serieus namen. Daardoor ontstond ruimte en een zekere rust om te gaan kijken naar het gedrag van de man en dat te leren verstaan en interpreteren. De psycholoog heeft hierin ook een grote rol gespeeld, door telkens te communiceren met het team en ook daadwerkelijk langs te komen op de afdeling. Het is belangrijk dat je iedereen mee neemt in dit proces.‘
De extra bezetting  leidde al tot veel minder incidenten. Maar het was natuurlijk niet genoeg’, zegt Van Genderen, ‘dus besloten we CCE in te schakelen, dat specifieke kennis heeft op het gebied van verpleeghuisbewoners met onbegrepen gedrag. Voor die oplossing bleek de familie van de man ook heel erg open te staan.’

Gerichte adviezen

De psycholoog van CCE observeerde hoe de man zich gedroeg en begon op basis daarvan adviezen te verstrekken aan het team. Dit werd in het begin wel een beetje als bedreigend ervaren door de verzorgenden, maar dat was snel over toen de psycholoog complimenten begon te geven over hoe de verzorgenden hun werk deden. Dit gaf het team de rust om deze adviezen ook te accepteren en ermee aan de slag te gaan. Een advies was bijvoorbeeld de grote zwarte fauteuils te verwijderen uit de eigen kamer van de man. Die vormden ’s nachts grote zwarte vlekken die de man angstig maakten en hem aanspoorden om zijn bed te verlaten en door de gang te gaan dwalen. Een ander advies had betrekking op de plaats van de man aan de eettafel. Andere bewoners waren soms een beetje bang voor hem. Door hem aan een aparte tafel te zetten met een grote plantenbak er tussen werd dit probleem opgelost. De rust die dit in de eetkamer creëerde had ook weer een gunstige invloed op zijn eigen gedrag. Een derde advies betrof het leren omgaan met de mimiek van de man. Hij kon soms heel vrolijk grijnzen en als de verzorgenden dan te blij reageerden, kon hij dat niet hanteren. De boodschap was dus: gelijkmatig op hem reageren, zijn mimiek zegt niet hoe hij zich echt voelt.

Ook verdiepte de psycholoog zich in de achtergrond van de man en had ze gesprekken met zijn verwanten. Van Genderen: ‘De man bleek bijvoorbeeld veel te hebben gevist. En een tijdschrift met foto’s van vissen bleek soms uitkomst te bieden om voor afleiding te zorgen op momenten dat hij onrustig gedrag vertoonde.’

Verdiepende vragen

Hadden de medewerkers van Wittenbergzorg dit niet zelf gekund? ‘Het gaat echt om de kunst van het stellen van de goede vragen’, zegt Van Genderen. ‘We hebben van dit traject echt geleerd hoe we veel meer verdiepende vragen kunnen stellen. Vooral de eerst verantwoordelijk verzorgenden, die meestal ook de intake doen, hebben dit opgepakt en zich meer eigen gemaakt. Een vraag als “Hoe ging het thuis?” bijvoorbeeld is veel te algemeen om een goed beeld te krijgen. Belangrijk zijn ook vragen als: “Waar stond het huis?” of “Wat voor mensen waren uw buren?”. We hebben ook een familieboek geïntroduceerd, waarin we niet alleen het huis beschrijven, maar ook de tuin, de buurt, het soort mensen dat er woonde et cetera.’

Gaandeweg kreeg het team het vertrouwen dat het de problemen rond het onbegrepen gedrag van de man zelf kon oplossen en dat een overplaatsing dus niet nodig was. Ondertussen was door Wittenbergzorg ook een meerzorgerkenning aangevraagd bij het zorgkantoor. Die werd ook toegekend.

‘Wat overbleef, was dat je het team wel kunt instrueren om op een bepaalde manier met deze man om te gaan, maar de andere cliënten niet. We hebben bijvoorbeeld ook een cliënt die het soms leuk vindt om die man een beetje uit te dagen. We gaan daarom binnenkort een avond organiseren voor alle familieleden. Niet om te zeggen dat ze allemaal rekening met hem moeten houden, maar wel om uit te leggen hoe interactie werkt, wat daar de gevolgen van kunnen zijn en dat alle verpleeghuisbewoners daarin een rol kunnen spelen, zeker als het om PG gaat. De kans op een confrontatie met een andere cliënt blijft dus altijd aanwezig. Dat is onontkoombaar tussen mensen die door hun dementie onbegrepen gedrag vertonen. Het is belangrijk dat we die boodschap goed overbrengen aan de familieleden. Het is zo makkelijk om te zeggen: “Het komt natuurlijk omdat er te weinig bezetting is”, dat is ook het beeld dat de media schetsen tenslotte. Maar dat is natuurlijk niet de kern van het probleem.’

Interview door Frank Wijck

Meer weten

Geplaatst op: 5 september 2017
Laatst gewijzigd op: 15 maart 2019