Fatoş Ipek-Demir (OMAZ): ‘Open houding en visie zijn een voorwaarde’

‘Wanhopige telefoontjes van Turkse mantelzorgers krijg ik. Ze kunnen de zorg voor hun ouder met dementie niet meer aan, maar hebben geen idee hoe verder. Zelf hebben wij met mijn vader ook een hele route afgelegd. Er was geen goede plaats voor een Turkse man met dementie. Dat moet anders’, vertelt Fatoş Ipek-Demir (oprichter en coördinator van OMAZ).

OMAZ: Stichting Oudere Migranten aan Zet

Fatoş Ipek-Demir is een vrouw met een missie. Ze wil migrantenouderen en mantelzorgers wakker schudden én de dementiezorg. ‘Dementie wordt ziekte nummer één en we gaan in het algemeen dood in Nederland.’ Ze wil dat dit besef bij iedereen doordringt: van de ouderen zelf tot en met de bestuurders van verpleeghuizen. Ze vindt dat de urgentie bij laaggeletterde ouderen het hoogst is. ‘Voor Antillianen, Surinamers, Hindoestanen, Nederlands-Indiërs en Molukkers geldt dat bijvoorbeeld minder: zij hebben minder taalproblemen zijn relatief goed georganiseerd.’ Cultuurspecifieke zorg ziet Fatoş als iets voor de huidige generatie ouderen. ‘Uiteindelijk moeten we toe naar inclusiviteit. Daarvoor zet ik me in met Stichting Oudere Migranten aan Zet (OMAZ).’

‘Dan moet je beter zoeken’

Ouderen met een migratie-achtergrond bereik je niet met een oproep op een digitaal platform of met een brief. ‘Je moet letterlijk andere knoppen indrukken om deze groepen te bereiken. Je moet aandacht bieden in hun eigen taal, via sleutelfiguren. Hen verleiden mee te doen. Het reguliere activiteitenaanbod ontgaat hen’, stelt Fatoş. En ‘we kunnen ze niet vinden’ vindt ze geen argument: ‘Dan moet je beter zoeken. Bel op, ga langs bij een vrouwengroep. Staar je niet blind op die moskee, niet iedereen gaat daarheen. Bied maatwerk. Dé Turk bestaat niet. Iedereen heeft andere interesses.’

Fatoş bevestigt dat activiteiten in een buurthuis of verpleeghuis goed als opstapje kunnen dienen richting de formele zorg. ‘Zo komen ze er eens binnen. Want verpleeghuizen zijn een totaal onbekend terrein. Het zijn gebouwen waar je gedumpt wordt, waar iedereen varkensvlees eet en alleen maar witte verzorgsters werken. Toen mijn vader verhuisde naar een islamitisch verpleeghuis, kwamen allerlei kennissen langs met vragen. Het was een soort “aapjes kijken”. Men had geen idee.’

Halal hoeft niet voor hem

Dit verpleeghuis waar Fatoş’ vader in het begin woonde, was te ver weg. Het tweede was een islamitisch huis dichtbij, maar men had er onvoldoende kijk op dementie. ‘Nu is hij de eerste Turk in een volledig Nederlands huis. Wij als familie moesten en moeten verschillende dingen nogal eens uitleggen, bijvoorbeeld dat halal eten in zijn geval niet nodig is.’

Ze merkt dat over en weer vragen stellen van het grootste belang is. ‘Mijn vader heeft andere wensen als het om persoonlijke hygiëne gaat, bijvoorbeeld. Zijn EVV-er met zelf ook een migratie-achtergrond begrijpt die behoeften het best.’ Zelf heeft Fatoş als mantelzorger ook een actieve rol in de zorg, zoals veel andere Turkse dochters. Fatoş: ‘Ik knip bijvoorbeeld zijn nagels zelf. Overleggen met de medewerkers is belangrijk. Elkaar betrekken en ook eerlijk zijn als je ergens niet aan toe komt: dat vind ik belangrijk.’

Briefje op de badkamerdeur

De moeder van Fatoş bracht haar laatste periode door in een hospice. ‘Daar heerste een heel open houding vanuit de medewerkers naar ons als familie. Toen het overlijden van mijn moeder naderde, beseften de medewerkers dat ze totaal onbekend waren met de bijbehorende islamitische rituelen. Ze vroegen mij er iets over op te schrijven. Dat ene A4-tje bood hen houvast. De volgende dag kwam ik en zag ik dat een van beide doucheruimtes was afgesloten en voorzien van een briefje: “tijdelijk buiten gebruik”. Ze hadden hem grondig geschrobd, met het oog op de laatste verzorging van mijn moeder. Ik had uitgelegd dat die laatste reiniging heel belangrijk is. Dat vragen, die open houding – dát is cruciaal. Zo zorgden ze goed voor mijn moeder én voor ons.’

Bestuurders: ontwikkel een visie!

Zorgmedewerkers die een training cultuursensitieve zorg volgen willen in het algemeen het geleerde meteen in de praktijk brengen. ‘Maar als ik vraag wat ze morgen anders gaan doen, zeggen ze dat ze eerst hun bestuurder mee moeten krijgen. Budget, mankracht en onderliggende visie ontbreken. Onder bestuurders is nog slechts heel beperkt sprake van een cultuursensitieve houding. Ook in de arbeidsmarktcampagnes van dit moment liggen grote kansen. Dat zie ik als een mogelijke “quick win”.’

Waardig sterven dichterbij brengen

De taboes die Fatoş met OMAZ en als actieve vraagbaak voor andere mantelzorgers doorbreekt zijn gewichtig. Als eerste de dementie zelf – een onderwerp waarover binnen migrantengroepen niet gemakkelijk wordt gesproken. Het tweede taboe is het uit handen geven van de zorg van je ouders: dat hoort niet. De familie behoort hen immers zelf tot het allerlaatst thuis te verzorgen. Het derde grote taboe is de dood. Daarover praat je niet.

‘Het heeft er ook mee te maken dat de dood – net als dementie – nu eenmaal Gods wil is. Dat is een gegeven’, vertelt Fatoş. Ze is per 1 september door Pharos gevraagd als projectleider ‘In gesprek over leven en dood’. Het project gaat oudere migranten en zorgverleners in de palliatieve zorg ondersteunen bij het voeren van gesprekken. Ergens vindt Fatoş het een gemiste kans dat de grote overheidscampagne ‘Praten over het levenseinde’ niet iedereen binnen de samenleving meeneemt. ‘Je moet iedereen van begin af aan betrekken, inclusief leren denken. Nu hobbel ik er toch weer achteraan met mijn migranten.’

Over het project van Pharos: ‘Er komen tien regionale bijeenkomsten in samenwerking met de netwerken palliatieve zorg en voorlichtingsvideo’s in vier talen. Op dit moment ontbreekt het binnen de zorg nog aan kennis over rituelen binnen andere culturen, bijvoorbeeld. Verpleeghuismedewerkers zijn deel van onze doelgroep: in het verpleeghuis breng je immers vaak die laatste fase door. Waardig sterven verder brengen, voor iedereen – dat is het doel.’

Door: Linda van Ingen

Meer weten


Geplaatst op: 5 november 2019
Laatst gewijzigd op: 5 november 2019