AO Kwaliteit verpleeghuiszorg: het ‘nieuwe kijken’ naar goede zorg in verpleeghuizen

Op 18 november jl. was het Algemeen Overleg over de kwaliteit van verpleeghuizen in de Tweede Kamer. Staatssecretaris Van Rijn van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) sprak over de resultaten van ‘Waardigheid en trots’ en behandelde vragen van de verschillende fracties over de kwaliteit van verpleeghuiszorg in het algemeen.

Goede gesprekken en cultuurverandering

Van Rijn pleit herhaaldelijk voor het belang van een integrale aanpak van alle factoren die van invloed zijn op de kwaliteit van zorg. Hij signaleert dat steeds meer goede gesprekken worden gevoerd over de kwaliteit van zorg, en dat een cultuurverandering gaande is. Er moet meer aandacht komen voor wat voor individuele cliënten goede zorg betekent, ook als dat risico’s met zich meebrengt.

Van Rijn haalt hierbij het recente voorbeeld van Zorggroep Charim aan en benadrukt dat we moeten leren van praktijkervaringen van zorgaanbieders die durven te vernieuwen. Dit beamen de fractieleden, maar zij dringen aan op meer urgentie om deze goede voorbeelden uiteindelijk tot norm te maken. Ook zou de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) volgens de Kamerleden verpleeghuizen die niet aan deze norm voldoen, harder moeten afrekenen.

Kwaliteit van verpleeghuiszorg

De sector werkt aan een nieuw kwaliteitskader voor verpleeghuiszorg dat aangeeft wat goede verpleegzorg is. Als tussenstap is samen met mensen uit de sector een richtinggevende schets gemaakt voor verpleeghuiszorg aan zeer kwetsbare mensen. Welke kwaliteit wordt er geboden, en wat is daarvoor nodig?

Van Rijn: “Het gaat in de kern om drie zaken. Als eerste de basis gezondheidszorg op orde, als tweede de verzorging van oude mensen die niet meer alles zelf kunnen, en als derde het bezorgen van een plezierige dag voor de cliënt.” Het uiteindelijke kwaliteitskader verpleeg(huis)zorg, gereed op 1 januari 2016, moet deze elementen beschrijven door de ogen van de cliënt.

Dat goede kwaliteit van verpleeghuiszorg leveren mogelijk is, zag de staatssecretaris tijdens zijn werkbezoek aan Vivium Hogeweyk. Daar wordt ingespeeld op individuele wensen van de cliënt, naasten en mantelzorgers zijn betrokken bij de zorg, er wordt rekening gehouden met het leven vóór het verpleeghuis en professionals kunnen met een zekere rust hun werk doen. Dat wordt gerealiseerd binnen dezelfde wettelijke kaders die voor alle verpleeghuizen gelden.

Zorgplan moet persoonlijker

Er zijn zorgen over de inzet van het zorgplan. Deze zou in de praktijk nog teveel een afvinklijstje zijn, waarin de wens van de cliënt wordt getoetst aan het aanbod van de zorgaanbieder. Daardoor is het plan een mooi middel bij het maken van afspraken over zorg, maar voelen cliënten zich geen eigenaar.

‘Gesprekken over het zorgplan moeten niet gaan over een lijstje mogelijkheden, maar over wat goede zorg betekent voor déze cliënt, gelet op de leefsituatie voorheen. Het moet geen papieren exercitie blijven’, aldus Van Rijn. Hij pleit voor een nieuwe manier van kijken naar kwaliteit van zorg. Er moet meer oog komen voor hoe het écht in de zorgverlening gaat, en minder voor wat er over de zorgverlening op papier staat. Dat er een zorgplan ís, is dus niet voldoende.

‘Kwaliteit van opleidingen en professionals structureel verbeteren’

De gemiddelde zorgzwaarte van cliënten in verpleeghuizen stijgt en zorg wordt kleinschaliger georganiseerd. Om goede kwaliteit van zorg te kunnen leveren, moet er voldoende en goed opgeleid personeel zijn. Hoe wordt kwaliteit van professionals gewaarborgd of verbeterd? Worden opleidingen hierin wel goed meegenomen?

Van Rijn verwijst naar Waardigheid en trots. Zorginstituut Nederland werkt aan een leidraad verantwoorde personeelssamenstelling. Die gaat nadrukkelijk niet voorschrijven wát de juiste personeelsopbouw is, maar is een handreiking om te komen tót een goede personeelssamenstelling. Tegelijkertijd wordt gekeken naar het personeel van verpleeghuizen die goed, en verpleeghuizen die slecht presteren. In het voorjaar van 2016 komen de leidraad en deze analyse samen, wat een goed beeld oplevert van de huidige en de benodigde (hoeveelheid) professionals in verpleeghuizen.

Van Rijn plaatst wel een kanttekening: ‘De kwaliteit van opleidingen en professionals moet structureel worden onderzocht en verbeterd. Maar we moeten niet per onderwerp een norm bepalen. Kwaliteit van verpleeghuiszorg gaat over een groot aantal onderwerpen die in samenhang moeten worden bekeken, dat is ook het uitgangspunt van Waardigheid en trots.’

VAR en cliëntenraad bepalen besteding extra middelen

In 2016 komt extra geld beschikbaar om de deskundigheid van professionals binnen verpleeghuizen te bevorderen en om cliënten een meer zinvolle daginvulling te kunnen geven. Het bedrag loopt naar ruim 200 miljoen euro structureel. De organisaties kunnen zelf het beste overzien waaraan en hoe de middelen moeten worden besteed. Als enige eis voor het toekennen van de middelen door het zorgkantoor geldt dat de CCR, VAR en OR instemmen met het plan. Het plan is vormvrij.

Energie, betrokkenheid en passie

Tijdens het Algemeen Overleg laat de staatssecretaris regelmatig blijken dat de negatieve beeldvorming in de media over de kwaliteit van verpleeghuiszorg geen recht doet aan de inzet en bereidheid tot verbeteren van professionals in de sector. Zij zijn trots om voor deze sector te werken, maar vinden het lastig om dat tegen de huidige beeldvorming in te uiten.

‘We moeten meer kijken naar de passie en betrokkenheid van instellingen – bij organisaties waar het goed gaat, maar ook bij organisaties die meer moeite hebben met de veranderingen. Het plan Waardigheid en trots is er natuurlijk niet voor niets, maar we moeten ook aandacht hebben voor wat er goed gaat. Uiteindelijk geeft dat meer energie, betrokkenheid en passie om te veranderen, dan praten over een sector waar het zogenaamd allemaal fout is en mis gaat,’ besluit Van Rijn.

Verslag door Judith Winnen

Meer weten


Geplaatst op: 19 november 2015
Laatst gewijzigd op: 26 juli 2019