Algemeen overleg Wet langdurige zorg: passende zorg en positieve prikkels

Op 3 maart j.l. was het Algemeen overleg over de Wet langdurige zorg (Wlz) in de Tweede Kamer. Staatssecretaris Van Rijn van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) sprak met de fracties en beantwoordde vragen over de voortgang van de Wet langdurige zorg en de kwaliteit van zorg in verpleeghuizen.

Er werd onder meer gesproken over het budgettair kader Wlz 2015 en 2016, het afwegingskader toegang Wet langdurige zorg en meerzorg, maatwerk en daarmee samenhangende onderwerpen. Oorspronkelijk stond ook de brief ‘Waardig leven met zorg’ over vervolgstappen in de Wlz op de agenda, maar er is besloten hierover op een later moment in debat te gaan.

Het is mogelijk

Tijdens het overleg benadrukt Van Rijn dat er op vele fronten gewerkt wordt aan het verbeteren van de kwaliteit van de langdurige zorg, een gecompliceerde maar noodzakelijke taak. Met de vernieuwingsagenda wordt een nieuwe stap gezet: het geven van positieve prikkels om de kwaliteit van zorg in verpleeghuizen te stimuleren, met behulp van onder meer passende bekostiging en indicatiestelling om dat te realiseren.

De staatssecretaris haalt zijn werkbezoek bij Het Poirtershuis in Oisterwijk aan als voorbeeld van hoe dat eruit kan zien. Bij de kleine pgb-gefinancierde instelling wonen en leven 20 mensen met dementie, alzheimer of andere vormen van geheugenverlies. De geleverde zorg is op maat, afgestemd op de wensen en beperkingen van de bewoners. De instelling heeft haar zorg- en dienstverlening onlangs anders ingericht. De staatssecretaris sprak enkele verzorgenden over het verschil tussen hoe de organisatie er voorheen uitzag, en hoe dat nu is. Van Rijn: ‘Zij gaven aan dat er nu meer aandacht is voor de bewoners, met minder mensen maar ook minder registraties. Het laat zien dat als je er met elkaar goed over nadenkt, het mogelijk is om grote slagen te maken in kwaliteit. Dit is precies wat we met elkaar willen bereiken.’

Indicatiestelling

De aanwezige fracties zijn tijdens het overleg vooral gespitst op de doorlooptijd en complicaties bij indicatiestelling, toegang voor doelgroepen ggz en jeugd tot de Wlz, administratieve lastendruk en het indiceren in zorgprofielen. Er wordt gesignaleerd dat het soms lang duurt voor iemand een indicatie krijgt van het CIZ, en dat mensen met een Wlz-indicatie op wachtlijsten terechtkomen. Van Rijn geeft aan dat hij dit oppakt met het CIZ en dat er goed wordt gemonitord hoe en waarom mensen wachten. Dit is opgenomen in de vernieuwingsagenda. Wel benadrukt hij dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen ‘ik heb mijn Wlz-indicatie maar hoef nog niet naar het verpleeghuis’ en ‘ik wacht op het verpleeghuis van mijn voorkeur’. In dit laatste geval zou het mogelijk zijn om deze instellingen eerder geld te geven dan andere in het kader van zorginkoop.

Ook moet de indicatiestelling beter worden ontschot. De partijen (CIZ, gemeenten, zorgkantoren) gaan daarom met elkaar aan tafel om aan de hand van casuïstiek de indicatiestelling beter op elkaar af te stemmen en onnodige bureaucratie eruit te filteren.

Afwegingskader Wlz

De toegang tot de Wlz staat ook ter discussie. Wat zijn nou precies de criteria? En houdt het CIZ hier soms niet te strikt aan vast? Simpel gesteld is de Wlz bedoeld voor mensen die blijvend 24-uurs toezicht nodig hebben in een permanente verblijfssituatie. Voor andere langdurige zorgbehoevenden moet het langer thuis wonen zorgvuldig worden geborgd. Samen met het CIZ wordt casuïstiek bekeken in samenhang met het toepassen van de criteria. Is dat goed en zorgvuldig gebeurd?

Van Rijn: ‘Maar geen toegang tot de Wlz betekent niet dat je geen zorg krijgt. Het gaat niet om de zorgvraag of zorgzwaartevraag, maar om welke zorg je nodig hebt en uit welke wet dat dus komt. Als dat met wijkzorg goed kan worden ondervangen is instellingszorg uit de Wlz niet nodig.’

Maatwerkprofiel

Bij de invulling van de dagelijkse zorg moet zo veel als mogelijk maatwerk worden geboden om aan te sluiten bij de individuele wensen en behoeften van de cliënt. Het CIZ bepaalt eenmalig de toegang tot de Wlz en het best passende zorgprofiel. Maar voor sommige cliënten is deze ontoereikend om de benodigde zorg te bekostigen. Bij indicatiestelling moet dan mogelijk zijn om deze specifieke groep maatwerk te bieden. Wanneer wordt meer duidelijk over de mogelijkheden hiervan?

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en Zorginstituut Nederland (ZiNL) doen onderzoek en rapporteren hierover naar verwachting in mei. In het najaar volgt een definitief advies. Wat Van Rijn daarin vooral een spannend punt vindt is om zo dicht mogelijk te komen bij individuele situaties. Een zorgprofiel wordt immers niet gemaakt voor een persoon, maar voor een categorie mensen. ‘Het maatwerkprofiel is een goede uitkomst om indicatiestelling te versnellen, maar er moet ook ruimte worden gehouden voor individuele afwegingen. Daar heb ik de NZa en ZiNL om een goed advies voor gevraagd.’

Kwaliteit en registratielast

De fracties stellen vragen over de kwaliteitseisen voor zorgaanbieders. Die zouden ‘een kwaliteitsdansje’ moeten doen om voor een bonus bovenop de geldende NZa-tarieven in aanmerking te komen. Dat levert bovendien extra registratielast op. Is het feit dat zorgorganisaties zijn toegelaten niet al voldoende bewijs?

Van Rijn geeft de noodzaak aan van positieve prikkels om de kwaliteit van de verpleegzorg te verbeteren. De zorgaanbieders moeten een rol spelen in de discussie over kwaliteit bij zorginkoop. Deze kwaliteit wordt benaderd vanuit het oogpunt van de cliënt, door daar de cliëntenraad en personeelsvertegenwoordiging bij te betrekken. Als iedereen hetzelfde tarief krijgt wordt de kwaliteitsdiscussie pas achteraf gevoerd, wanneer het niet goed gaat.

Uiteraard moeten we van bureaucratie af, maar ook van schijnveiligheid en –kwaliteiten in de vorm van bijvoorbeeld keurmerken, en moeten we nadenken over de juiste kwaliteitsprikkels. Vernieuwingsruimte staat of valt met het terugdringen van administratieve lasten. Dit onderwerp is daarom meegenomen in het plan Waardigheid en trots en in het nog te verschijnen plan van aanpak administratieve lasten. Bovendien zullen er ‘schrapsessies’ met verzorgenden worden georganiseerd om onnodige registraties terug te dringen.

Dezelfde doelen

Tijdens het overleg haalde Van Rijn aan dat er al tien jaar wordt nagedacht over de kwaliteit van verpleeghuizen. Hoe gaan we de zwaardere zorgvraag opvangen? Hoe spelen we beter in op de wens van mensen om zo lang mogelijk thuis te blijven wonen? En: moet de zorg zich niet meer aanpassen aan de mens dan andersom, zoals nu het geval is? Deze zaken vergen maatregelen en hervormingen.

Van Rijn: ‘Het enthousiasme dat ik zie bij mensen in de zorg en organisaties die hard werken aan hun toekomstplannen, staat in schril contrast met de bijdragen van sommige fracties. Natuurlijk moeten we het debat voeren over wat goed gaat en wat niet goed gaat en dus moet worden bijgesteld. Maar de insteek die ik daarbij wil blijven kiezen is: met zijn allen dezelfde doelen nastreven, waarbij we uiteraard best kritisch mogen zijn op dingen die nog niet goed gaan.’

Verslag door Judith Winnen

Meer weten

  • Welke stukken werden besproken tijdens het Algemeen overleg van 3 maart? Bekijk het overzicht.

Geplaatst op: 7 maart 2016
Laatst gewijzigd op: 1 april 2019