Bij Espria versterken het bestuur en de cliëntenraad elkaar

‘De positie van de cliëntenraden bij aanbieders van langdurige zorg moet worden versterkt’, schreef staatssecretaris Martin van Rijn eerder dit jaar in een brief aan de Tweede Kamer. Zorgconcern Espria heeft al lang ingezet op versterking van de wisselwerking tussen bestuur en cliëntenraad. Die beweging is inmiddels al lang onomkeerbaar.

Van last tot lust

‘Als cliëntenraad moet je feitelijk van last tot lust worden voor de organisatie’, zegt Jan de Bruin, vicevoorzitter van de centrale cliëntenraad van zorgconcern Espria. Net als andere zorgaanbieders heeft ook Espria moeten wennen aan de cliëntenraden. ‘Met de komst van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen ging het er voor zorgaanbieders vooral om te voldoen aan de wettelijke verplichting een cliëntenraad te hebben’, zegt De Bruin. ‘Doordat zich op verschillende plaatsen in het land incidenten voordeden bij zorgaanbieders, kwamen de cliëntenraden gaandeweg meer in beeld. In hoeverre ze zich nu ontwikkeld hebben, hangt deels af van wat het bestuur ermee wil: nog steeds vooral voldoen aan die wettelijke verplichting of ook er kennis en kunde aan onttrekken.’

Bij Espria zijn de raden inmiddels actief in alle instellingen die de organisatie heeft en in alle wijken waarin het actief is. Elk bedrijfsonderdeel heeft een cliëntenraad en daar waar zeggenschap is, bestaat ook medezeggenschap van cliënten. Dus zijn vertegenwoordigers van de cliëntenraden afgevaardigd naar de regionale cliëntenraden, en daarboven staat de centrale cliëntenraad. De raden worden volledig gevuld met vrijwilligers. ‘Het aanbod is schraal’, zegt De Bruin. ‘Dat hoeft niet erg te zijn als je maar met de mensen die er wél zitting in willen nemen een lerend proces afspreekt, zodat hun waarde voor de raad gaandeweg groeit. En als je maar een goede verdeling vindt tussen mensen die inhoudelijk sterk zijn en mensen die vooral procedureel een bijdrage kunnen leveren.’

Toogdagen

Om een impuls te geven aan de inhoudelijke meerwaarde van de cliëntenraden, werden 4 jaar geleden de toogdagen geïntroduceerd. Ida Hartog, voorzitter van de centrale cliëntenraad, legt uit: ‘Dit zijn landelijke dagen waarop we zoveel mogelijk leden bij elkaar proberen te brengen om van elkaar te leren. Ieder jaar zorgen we voor discussie rond een op dat moment actueel thema. Kwaliteit van leven bijvoorbeeld, eigen kracht, of de ontwikkeling van een toekomstbestendige cliëntenraad. We diepen zulke thema’s uit in workshops, die worden geleid door mensen van LOC Zeggenschap in zorg. We proberen die dagen zo te vullen dat we gevoed worden met ideeën van de mensen uit het veld. En we geven aandacht aan ontwikkelingen die we als pareltjes binnen de organisatie beschouwen. Een verpleeghuis binnen Evean (een van de merken van Espria) dat bezig is de zorg anders in te richten bijvoorbeeld. Zulke kennis kunnen de leden meenemen naar hun eigen organisatie.’

Meedenken en kritisch zijn

De kunst van een goede cliëntenraad, stelt Hartog, is de grens bewaken tussen enerzijds medezeggenschap en anderzijds een soort tweede bestuur vormen. ‘We zagen op een gegeven moment na de fusies waaruit het huidige Espria ontstond dat oud-bestuursleden zitting namen in de cliëntenraad’, zegt ze. ‘Dat is natuurlijk niet de bedoeling en daaraan hebben we dan ook zo snel mogelijk weer een eind gemaakt. Het is juist de bedoeling enige afstand tot het bestuur te hebben, om niet alleen mee te denken met het bestuur, maar ook kritische vragen te kunnen stellen.’

Tiana van Grinsven, bestuurder van Espria, vult aan: ‘Die kritische betrokkenheid is ook wat je als bestuur nodig hebt. Tegelijkertijd moet je wel voorkomen dat het tot teveel werk leidt voor een te beperkte groep mensen uit de centrale cliëntenraad. Het is juist goed als zij zaken kunnen neerleggen bij raadsleden die gerichte kennis hebben van bepaalde dossiers. Daarin zijn we nu een professionaliseringsslag aan het maken, en de centrale cliëntenraad heeft de ruimte om externe expertise in te huren als dit gewenst is.’

Betere ondersteuning geven

Een voorbeeld hiervan is Marianne Marree, ambtelijk secretaris van de centrale cliëntenraad. Ze vertelt: ‘Ik heb via LSR een leergang ambtelijk secretaris cliëntenraad gevolgd, om onze raad beter in die functie te kunnen ondersteunen. Ik miste in andere leergangen tools om dat in de praktijk te brengen. De vraag bijvoorbeeld hoe je als cliëntenraad omgaat met het beleid van de organisatie en de invloed die je daarop wilt uitoefenen. Je rol daarin als centrale cliëntenraad kun je beperken door te wachten tot je om reactie wordt gevraagd op adviesaanvragen vanuit het bestuur, maar je kunt ook in een eerder stadium al als centrale cliëntenraad aangeven welke beleidsvraagstukken je belangrijk vindt.’

De Bruin: ‘Speel je de afwachtende rol, dan kun je bijvoorbeeld geconfronteerd worden met een begroting waarin welgeteld één alinea staat over kwaliteit van zorg. Dat is dan teleurstellend, maar je bent dan te laat om daar nog heel veel aan te veranderen.’ Van Grinsven: ‘Daar zijn we nu als bestuur echt wel van doordrongen. Net zo goed als dat we nu beseffen dat het waardevol is om de centrale cliëntenraad actief te betrekken bij de vraag welk bureau je het best kunt inschakelen om een CQ-meting te doen.’

Voortdurende zoektocht

Zo wordt voortdurend gezocht naar mogelijkheden om de samenwerking tussen de cliëntenraden en de organisatie te versterken, met het doel de kwaliteit van zorg een impuls te geven. Van Grinsven vertelt: ‘We willen als organisatie ook een rol spelen in onderzoek. We hebben een samenwerkingsverband met het VU Alzheimercentrum en met het UMC Groningen. Bij zulke zaken proberen we altijd om via de centrale cliëntenraad de cliëntenraden te voeden met kennis en er ook kennis vandaan te halen. Belangrijk daarbij is wel dat we in begrijpelijke termen communiceren, zodat we de raadsleden optimaal in staat stellen om mee te werken. Dat is het proces waar we nu middenin zitten. En de focus ligt daarbij duidelijk op de vraag hoe je vanuit de cliënt naar de voorliggende vraagstukken kunt kijken. Dat is niet voor alle dossiers eenvoudig. Neem bijvoorbeeld de lange termijn huisvesting. Daarover produceren we als organisatie vuistdikke dossiers. Die moet je echt zo samenvatten dat ze helder zijn en mensen boeien.’

Irene Coopman, secretaresse van de raad van bestuur, speelt hierin een belangrijke rol. ‘We hebben hiervoor een vast format ontwikkeld om de kernpunten uit zo’n document op overzichtelijke wijze te presenteren’, vertelt ze. ‘Het is een format dat ons is aangereikt door LOC Zeggenschap in zorg en dat wij hebben aangepast om het optimaal op onze eigen organisatie te laten aansluiten. Het beschrijft ook welke impact een ontwikkeling heeft op de cliënten.’

Een waardevol document, stelt Hartog. ‘Het is de opdracht aan de raad van bestuur om te zorgen dat de stukken die wij krijgen leesbaar zijn, en het faciliteert dat goed.’ Toch omzeilt Van Grinsven deze optie soms bewust. Ze vertelt: ‘Bij het dossier over zorginkoop heb ik de moeilijke pagina’s uit de documentatie er bewust wél in laten zitten, om te laten zien hoe complex deze materie is.’

Wederzijdse beïnvloeding

Verandert Espria door de rol van de cliëntenraad? ‘Ja’, zegt Van Grinsven. ‘Ik hecht heel veel waarde aan de inbreng van de cliëntenraad op het beleid. De feedback die ik krijg over bijvoorbeeld de begroting of de CQ-index neem ik echt mee. Beleid ontwikkelen vanuit de toegevoegde waarde voor de cliënt geeft je focus. Dus als ik weet wat de cliëntenraad belangrijk vindt, kan ik daar rekening mee houden, ook in mijn overleg met de directeuren van de bedrijven. En ik gebruik de input van de cliëntenraad ook in de commissie Wlz van ActiZ, waarin ik zitting heb. Dat had ik niet kunnen bedenken toen ik hier 2 en een half jaar geleden in functie kwam.’

De positie van de cliëntenraad is in de loop der jaren echt versterkt, benadrukt Hartog. ‘Vroeger belandde plotsklaps een adviesvraag op je bord. Nu zijn we van tevoren betrokken bij ontwikkelingen in de organisatie of de landelijke politiek. Daardoor ga je zelf actiever letten op wat er binnen de organisatie of daarbuiten op het gebied van de zorg gebeurt.’ En zo ontstaat vanzelf een beweging die niet meer omkeerbaar is, benadrukt Van Grinsven. ‘Kwaliteit van leven, welbevinden en leefplezier zijn bij uitstek onderwerpen waarin onze belangen volstrekt complementair zijn.’

Interview door Frank van Wijck


Geplaatst op: 23 maart 2015
Laatst gewijzigd op: 25 oktober 2016